Vraag een willekeurige Albanees wie de belangrijkste figuur uit hun geschiedenis is, en het antwoord komt meteen: Gjergj Kastrioti. In het westen bekend onder zijn Ottomaanse bijnaam Iskender Bey — Skanderbeg, "Heer Alexander" — is hij niet zomaar een historische figuur. Hij is de Albanees. De held op het hoofdplein van Tirana. De ruiter op munten en postzegels. De dubbelkoppige adelaar op de vlag is van zijn familiewapen. En het meest opmerkelijke: bijna alles wat je over hem leest, is waar.

Een kind als gijzelaar

Gjergj werd rond 1405 geboren als jongste zoon van Gjon Kastrioti, een Noord-Albanese edelman. Toen zijn vader zich in de jaren 1420 moest onderwerpen aan het Ottomaanse Rijk, werden volgens Ottomaanse gewoonte zijn vier zonen als gijzelaars naar het hof in Edirne gestuurd. Daar bekeerde Gjergj zich tot de islam en werd hij opgeleid aan de beroemde Enderun-school — de eliteopleiding waar de sultan zijn toekomstige officieren vormde. Hij bleek uitzonderlijk begaafd: hij sprak vloeiend Turks, Arabisch en Italiaans, naast zijn moedertaal, en ontving de eretitel Iskender — Alexander — van sultan Murad II.

Twintig jaar diende hij loyaal het rijk dat zijn familie had onderworpen. In 1440 werd hij sanjakbey (gouverneur) van Dibra — een gebied dat aan het grondgebied van zijn eigen familie grensde. Voor Murad II leek Skanderbeg een betrouwbare Ottomaanse officier. Dat bleek een miscalculatie.

De desertie — Niš, 28 november 1443

Op 3 november 1443 trokken Ottomaanse troepen ten strijde tegen een christelijk leger onder de Hongaarse veldheer János Hunyadi bij Niš in het huidige Servië. Skanderbeg diende in de Ottomaanse gelederen. Halverwege de slag — volgens de overlevering op het moment dat de christelijke aanval de Ottomaanse flank brak — gaf hij het bevel aan zijn driehonderd Albanese soldaten: omkeren. Hij verliet het slagveld, dwong de sultans secretaris onder bedreiging een vervalsing te schrijven, en reed met de brief richting Krujë.

De brief was gericht aan de Ottomaanse gouverneur van Krujë en beval hem het kasteel aan "de drager" over te dragen. Op 28 november 1443 arriveerde Skanderbeg voor de poorten, overhandigde het document, en werd zonder slag of stoot binnengelaten. Zodra hij binnen was, hees hij de rood-zwarte banier van de Kastrioti's en vermoordde hij de Ottomaanse garnizoensoldaten die zich niet tot het christendom wilden bekeren. Krujë, de historische zetel van zijn familie, was terug in Albanese handen. Die datum — 28 november — zou bijna vijf eeuwen later gekozen worden voor de moderne Albanese onafhankelijkheidsverklaring.

De Liga van Lezhë (1444)

Op 2 maart 1444 riep Skanderbeg de Albanese edelen bijeen in Lezhë, een Venetiaanse havenstad aan de Adriatische kust. Wat er werd gesticht, ging de geschiedenis in als de Lidhja e Lezhës — de Liga van Lezhë. De grootste clans — Arianiti, Dukagjini, Muzaka, Thopia, Spani — erkenden Skanderbeg als militair opperbevelhebber in de strijd tegen de Ottomanen. Het was de eerste serieuze poging in eeuwen om de Albanese vorsten onder één vaandel te verenigen, en ook meteen de laatste voor lange tijd.

Onder die ene banier — een zwarte dubbelkoppige adelaar op een rood veld, het familiewapen van de Kastrioti's — groeide een leger van zo'n tienduizend man. Meer dan dat konden de bergprovincies nauwelijks onderhouden. Ottomaanse legers waren vaak tien keer zo groot.

Vijfentwintig jaar verzet

Tussen 1444 en 1468 versloeg Skanderbeg dertien afzonderlijke Ottomaanse invasies. Sommige geleid door de sultan persoonlijk. Hij bleef meester van het terrein — de Albanese bergen, waar Ottomaanse cavalerie haar voordeel verloor. Hij gebruikte snelheid, lokmiddelen, hinderlagen, nachtelijke aanvallen. Het was guerilla avant la lettre, gecombineerd met onverwachte stormloopjes.

Drie belegering van Krujë staan op naam van de sultans zelf:

In Rome werd Skanderbeg tot Athleta Christi uitgeroepen — kampioen van Christus. Paus Callixtus III noemde hem een schild tegen de Ottomaanse opmars in Europa. Venetië, Napels, Hongarije — allemaal stuurden ze steun, soms geld, soms troepen. Maar nooit genoeg.

"Nooit heeft een volk met zo weinig middelen zo lang stand gehouden tegen zo grote overmacht." Edward Gibbon, The History of the Decline and Fall of the Roman Empire

Dood en de val van Krujë

Op 17 januari 1468 stierf Skanderbeg in Lezhë aan malaria. Hij was 63. Zonder hem brokkelde het verzet snel af. Krujë hield nog tien jaar stand — tot 1478, toen Mehmed II de stad eindelijk innam. Duizenden Albanezen vluchtten over de Adriatische Zee naar Zuid-Italië, waar hun nazaten — de Arbëreshë — nog altijd hun eigen dialect en tradities bewaren.

Een legende wil dat Ottomaanse soldaten na de val van Lezhë Skanderbegs graf openbraken en zijn beenderen als amuletten meenamen, in de hoop dat zijn moed op hen zou overgaan.

De erfenis — hoe Skanderbeg Albanië werd

Meer dan vier eeuwen na zijn dood, toen Ismail Qemali in 1912 de moderne onafhankelijkheid uitriep, koos hij bewust voor Skanderbegs rood-zwarte vlag. In de communistische periode werd Skanderbeg officieel ingezet als nationale held — zijn portret hing naast dat van Hoxha. Na 1991 bleef zijn status ongeschonden: een van de weinige dingen waar alle politieke stromingen in Albanië het over eens zijn.

In Tirana staat hij te paard op het Skanderbegplein, het centrale plein van de hoofdstad. In Krujë is zijn oude burcht een museum. In Rome staat een ruiterstandbeeld, in Brussel een buste, in Michigan een monument. Google Maps kent in Albanië alleen al tientallen Rruga Skënderbeu — Skanderbeg-straten.

Wat hij in zijn leven niet bereikte — een verenigd, onafhankelijk Albanië — is vijf eeuwen na zijn dood alsnog werkelijkheid geworden. En de vlag is nog steeds dezelfde.

Bronnen